Ik leef

 door Suus Venings

Hoe ben jij met je Brabantse accent in Groningen terecht gekomen?
Toen ik begin twintig was, deed ik mee aan een hockeytoernooi in Haren. In de trein zag ik dat het licht veranderde toen ik richting Groningen ging. Ik was direct gefascineerd en werd er verliefd op. ‘Als ik ooit toch eens in Groningen zou wonen..’, dacht ik. Het leek me net zoiets als emigreren. Een avontuur. Op dat moment woonde ik in Utrecht.

Toen ik jaren later met mijn toenmalige partner in een Vinex-wijk in Amersfoort woonde, bleef ik verlangen naar wonen op het platteland. Het was 1998, onze kinderen waren nog jong. Ik dacht: ‘Het kan nog. Ik wil niet alleen dromen en mooie plannen hebben. We moeten de stap wagen!’

Binnen een half jaar zijn we verhuisd naar een molenaarswoning in Den Andel. Met uitzicht op de dijk en met een heel groot atelier erbij. Het licht was prachtig en het was heel stil.

Hoe kwam je vervolgens in Kloosterburen terecht?
Op een gegeven moment was ik het huisje-boompje-beestje-leven zat. Ik wilde meer avontuur en helemaal voor de kunst gaan. Ik had een man die geld verdiende en ik wilde groeien. In de situatie waarin ik zat, was het te makkelijk voor me om in veiligheid te blijven hangen. Maar als ik mijzelf onder druk zet en iets aan ga wat ik niet kan overzien, dan ga ik mij pas echt ontwikkelen.  

In Den Andel kwam ik Arnold tegen, mijn overbuurman. Ik was toen al aan het scheiden. Wij hadden een hele sterke artistieke klik. We werkten samen en dat ging zo goed dat van het een het ander kwam. We vonden elkaar heel leuk.

Met Arnold ben ik in Eenrum gaan wonen. We hadden een klein huis met een atelier in de woonkamer. In vier jaar tijd ging het steeds beter qua opdrachten. Ik ben toen buitenshuis gaan werken in een atelier in Wehe-den Hoorn.

Het voelde niet als ideaal om buiten de deur te werken. Op een gegeven moment ben ik met Arnold gaan visualiseren wat de meest ideale situatie voor ons was.  We zagen een gebouw voor ons met verschillende compartimenten en een expositieruimte erbij. Een plek waar ook andere mensen konden komen.

Via via kregen wij vervolgens een tip dat de school in Kloosterburen te koop stond. We gingen kijken. Toen we in mijn huidige atelier kwamen, zei de makelaar: ‘De gemeente verkoopt het, en het gaat niet om het hoogste bod.’ Het bleek dus om het beste plan te gaan.

We maakten een plan en keken of het lukte. We stapten er onbevangen als twee jonge honden in. Als het zou lukken, zou het logistiek iets heel groots zijn. Het hele pand moest woon- en leefbaar gemaakt worden, we leefden als kunstenaars zonder vastigheid en mijn kinderen waren er natuurlijk ook nog.

Toen bleek dat we het pand kregen, was het weer zo’n moment waarop ik wist dat ik kon groeien. Het was een risico. Het geheel was niet te overzien, maar ik wist dat dit moest gebeuren. Zo’n kans krijg je maar een keer!

Inmiddels is het 11  jaar later: hoe is het nu met de kinderen, je relatie met Arnold en de school?
Ik heb dus twee kinderen Marieke (1992) en Geert (1994), beide wonen op zichzelf. Ik ben al heel vroeg oma geworden en heb twee kleinkinderen. Verder heb ik ook nog vier cadeau-kinderen, vanuit Arnolds eerdere relaties.

Arnold en ik houden allebei van vrijheid en we zijn beide niet conformistisch. Onze basis ligt in hoe we onze kunst maken. Ik voel me altijd uitgedaagd door hem. We zijn zo verschillend van elkaar en dat prikkelt mij continu. Het houdt me scherp. De rust is dat we elkaar moeiteloos en woordeloos begrijpen als het gaat om hoe we op een helende manier kunst en muziek maken. Ik voel heel sterk dat het de bedoeling is dat we bij elkaar zijn.

Alles is hier in de school steeds witter aan het worden. Alles was bruin toen we het kochten. Ik wilde altijd alles al het liefste wit hebben. Mijn schilderijen komen dan beter uit. Ik hou heel erg van wit met kleur. Dat heb ik al heel mijn leven. Vroeger moest ik toestemming vragen om een kastje wit te verven. Nu doe ik wat ik wil. Moest ik vroeger stoeltjes schuren en aflakken. Nu verf ik gewoon direct ergens over heen.

Heb je gestudeerd?
Nee, ik ben autodidact. Na mijn vwo ben ik wel gelijk naar de kunstacademie gegaan maar na een half jaar ben ik gestopt. Ik ben toen een jaar naar Frankrijk gegaan. Daarna ben ik nog een keer terug gegaan naar academie.

In de vrije ruimte die we hadden nam ik ook echt de ruimte. Ik kwam met ander werk dan ze verwachtten van een meisje uit het eerste jaar. De commissie kon mij eigenlijk geen voldoende geven, maar ze zagen wel dat ik goed was.

Ik mocht blijven als ik me aan zou passen. Ik heb dat vervolgens twee weken geprobeerd maar het lukte niet. Ik ben gestopt en besloot het op mijn manier te doen. Ik dacht: ‘Ik zal ze laten zien dat ik een groot kunstenaar ben.’

Hoe heb je geleerd wat je kan?
Ik heb geleerd door mijzelf steeds overzichtelijke kaders te geven. Eerst heb ik bijvoorbeeld alleen getekend met grijs, zwart en wit potlood. Later ging ik met kleur werken en aquarelverf in de kleuren rood, geel en blauw. Net zo lang tot ik voelde dat ik helemaal klaar was. Later ging ik door met acrylverf.

In mijn leven ben ik door verschillende oefenfases gegaan. Eerst maakt ik veel clowntjes. Daarna bewegende mensfiguren. Daarna naakte vrouwen. Dan speelde ik weer met andere formaten. Er was ook een tijd dat ik met links tekende en later deed ik dat met mijn ogen dicht. Zodra ik iets echt snapte en het een trucje werd, dan gooide ik het overboord omdat ik dan in een soort mechanisme terecht kwam.

Ik heb ook altijd gekeken of er andere mensen waren die al zoiets deden als ik. Als ik zag dat er al soortgelijk werk was, dan stopte ik ermee. Het gaf me geen plezier om dingen te doen die al gedaan zijn. Ik vroeg mezelf ook regelmatig af: ‘Hoe wil ik herinnerd worden? Als Maria Madelon die alleen maar dit of dat schilderde?’

Nu werk ik volgens mijn eigen bedachte stramienen en structuren.

Wat zijn je verdere hobby’s/interesses?
In de zon zijn, zingen, dansen en muziek. Ik speel bijvoorbeeld dwarsfluit. Ik heb altijd van de dwarsfluit gehouden. Ik vond het vroeger niet leuk op les maar ik vond het wel fijn om een mooie klank te maken. Nu gebruik ik m’n fluit als een verlengstuk van mijn gevoel.  

Verder hou ik van koken. Ik doe dat volledig op mijn gevoel. Ik haat kookboeken. Ik vind het veel leuker om dingen zelf te bedenken. Smaken bij elkaar te zoeken. Lekker in mijn eigen tempo om te ontspannen.

Tot slot ben ik volgens mijn kleindochter de ‘liefste oma Madje’ van de wereld en je kunt me wakker maken voor patat en een goeie mop.